Verslag vlinder- en libellenexcursie op 4 juni 2005

 

Het was 18 graden Celsius, bewolkt en er woei een redelijk harde wind, dus bepaald geen optimaal weer om vlinders en libellen te zien. Maar toch waren er ruim 20 mensen komen opdagen (waaronder verschillende van buiten Amstelglorie en enkele kinderen) en staken de excursieleiders Geert Timmermans en Fons Bongers van de natuurstudievereniging KNNV enthousiast van wal.

Gewapend met vlindernetten en een stapel boeken en tabellen vertelden ze eerst iets een aantal wetenswaardigheden over deze interessante diergroepen. Er is een insectengids van Amsterdam, getiteld ”van paardenbijter tot mensentreiter” waaruit blijkt dat in onze stad zo’n 20 soorten dagvlinders voorkomen. Sommige daarvan kwamen vroeger alleen in het zuiden van het land voor, maar zijn nu door het warmer wordende klimaat ook hier regelmatig te zien, zoals de gehakkelde aurelia. Er zijn tal van vlinders waarvan de rupsen van brandnetels leven, maar die zijn wel kieskeurig. De vlinders liggen hun eitjes alleen op brandnetelpercelen die er al langere tijd (10 jaar!) staan, omdat ze er zeker van willen zijn dat de brandnetels - met hun nageslacht erop - niet voortijdig worden opgeruimd. Vlinders eten uit de bloemen nectar voor energie om te vliegen en halen hun mineralen (voor het maken van sperma en eitjes) uit bijvoorbeeld koeienvlaaien en andere uitwerpselen.  Ook de rupsen zijn vegetarisch en eten alleen planten.

Libellen daarentegen zijn echte vleeseters, de larven eten allerlei waterbeestjes en zelfs visjes en de volwassen exemplaren vangen vliegen. Omdat het koudbloedige dieren zijn, moeten vlinders (en ook libellen) eerst ’s ochtends in de zon even opwarmen, voordat ze kunnen gaan vliegen. Zowel vlinders als libellen maken een volkomen gedaantewisseling door: van eitje via larve en cocon tot volwassen exemplaar, die weer eitjes legt. Daarbij zijn de libellen watergebonden: ze leggen de eitjes in het water, waar ook de larven opgroeien.  

 

Na deze introductie gingen we op pad: over de Jan Vroegopsingel naar de dijk van de ringweg. Daar waaide het door de luwte die de dijk bood wat minder hard, zodat de kans om libellen en vlinders te zin hier nog het grootst was. Daar splitsen we in twee groepen op. De groep van Geert zag een dappere kleine libel vliegen, die vanwege de opvallende lichtblauwe vlek aan het eind van het achterlijf “lantaarntje” wordt genoemd. We zagen in verschillende struiken veel spinsels met rupsen van stippelmotten,  die weer in verschillende soorten zijn verdeeld, al naar gelang de soort struik die hij eet. Hoewel het er soms dramatisch uitziet met al die spinsels, lijken de struiken er weinig last van te hebben: zodra de rupsen zijn uitgegeten en verpopt, groeien er snel weer volop bladeren aan.  

Vervolgens liepen we naar het moerassige rietland bij het parkeerterrein, waar we de bosrietzanger hoorden. Dit is een vogel die qua uiterlijk lijkt op een kleine karekiet, maar die qua zang allerlei andere vogels nadoet, zoals mezen, rietgorzen en mussen. We zagen ook een dansmot, een nachtvlindertje met hele lange voelsprieten, die vaak in grote groepen in de lucht “danst”. Bij het houten bruggetje vonden we een rood met zwarte cicade-soort van ongeveer 1 cm lang. Van cicades zijn er in zuidelijke landen veel grotere en luidruchtiger exemplaren bekend, zoals Fons ons met de ringtone van zijn mobieltje demonstreerde

 

Tot slot gingen we Amstelglorie op, naar de veldjes met wilde bloemen. Fons bleek ook daar veel van te weten, en liet ons onder meer muurbloem, oranje havikskruid, hartgespan,  bolderik en beemdooievaarsbek zien. Op de terugweg naar de uitgang zagen we in de berm witte veldbies,een plant die normaliter alleen op grotere hoogten (vanaf 150 meter) voorkomt. Een verwilderde tuinplan dus.  

Hartgespan

Wilfred Reinhold